Jade had gelijk….

Afbeelding

‘Hoe kunnen ze nou zeggen dat ik beter word als ik deze benen nog gewoon heb?” 

Hoe vaak heeft Jade dat de laatste maanden niet tegen ons gezegd? Afgelopen vrijdag stelde ze dezelfde vraag aan de kinderarts. We hadden een gesprek, niet zo maar een gesprek maar een belangrijk gesprek met de kinderarts en de orthopedagoge van de Hoogstraat.  Jade wilde niet praten, niet alwéér praten. Toch moest het. Na een moeizame start van het gesprek lukte het toch om Jade’s aandacht te krijgen. De kinderarts stelde voor om nog eens samen te praten over wat er de afgelopen periode maar ook de jaren daarvoor nou eigenlijk allemaal gebeurd is. Jade vond dat een slecht plan. Géén zin in. De kinderarts voegde zich naar Jade en besloot het over een andere boeg te gooien. Jade is inmiddels bij mij op schoot gekropen. Dr. Ingrid maakt een tekening voor Jade van een menselijk lichaam, mèt UGGS aan. Ze legde uit waar je botten voor nodig hebt, waar je spieren voor nodig zijn en waar je bloed voor zorgt. Jade keek verveeld en we hoorden haar denken, ‘Weet ik al….’. Daarna legt de kinderarts uit dat Jade’s lichaam helemaal oké is maar het toch niet goed doet. En belangrijk daarbij is dat ze dat heel goed zien, het niet begrijpen en dat heel vervelend vinden. Ze vertelt Jade dat we vorig jaar dachten dat als Jade hard zou werken en goed haar best zou doen bij de Hoogstraat dat ze dan ‘beter’ zou worden. Maar dat is toch niet zo gegaan als we bedacht hadden. Dat was niet de goede manier. Want Jade heeft knetterhard gewerkt. Heeft alles uitzichzelf gehaald wat erin zit. En nog meer… Maar meer is er niet. Meer mogen we niet van haar verwachten.  De dokters hebben het niet goed bedacht. Jade kijkt naar beneden en laat haar hoofd rusten tegen mijn schouder. Ze is stil. Op mijn verzoek legt ze de mooie beeldspraak uit van de 8 en de 3. De dokter snapt wat Jade wil zeggen en vertelt haar dat er best een verschil in grootte mag zijn tussen die twee maar niet een heel groot verschil.  We vertellen Jade dat als zij pijn in haar benen of rug of handen of hoofd heeft, dat dat dan ook zo is. Niemand, ook de dokters niet, mag tegen haar zeggen dat dat niet zo is of dat het wel mee zal vallen… Er lijkt weinig te gebeuren. We leggen Jade nog uit dat ze moet leren, dat het is zoals het is, en dat we moeten leren om vriendjes te worden met haar lijf, ook al doet het niet wat Jade wil. En Fornhese gaat daarbij helpen.

We beindigen het gesprek omdat het simpelweg genoeg is. Jade laat op alle mogelijke manieren zien dat ze er klaar mee is. In de wachtkamer zien we een boze snoet. ‘Jade? Waarom ben je boos?’ ‘Omdat ik verdrietig ben…’

 

Later in de auto is een gesprek nog steeds moeizaam. Jade kijkt naar buiten en wil er niet over praten. Uiteindelijk geeft ze aan dat ze best opgelucht is omdat ze al die tijd ‘gelijk’ had. Maar dat betekent ook dat het inderdaad moet zijn zoals het is. We leggen  haar uit dat we nog steeds een beetje gaan trainen, dat we dingen gaan oefenen maar op háár tempo en dat er niets meer móét. We kijken elke keer weer hoe ze zich voelt en hoever we kunnen gaan. Maar Jade hoeft niet meer te vechten. Niet meer te vechten met de woorden van alle hulpverleners, niet meer met de woorden van papa en mama, en niet meer met haar eigen lijfje.

Dan is het echt genoeg….’Nu wil ik naar school’.

We zetten haar op school af en gaan met een vreemd gevoel naar huis. Waar blijft haar reactie? Heeft ze haar deurtje dicht gedaan? Is het gesprek wel binnengekomen. We besluiten haar met rust te laten. Tussen de middag heeft ze ook geen behoefte om uitleg van het gesprek aan Merel te geven. Ze wil het er de rest van het weekend niet meer over hebben. Is goed meisje….

Die avond haal ik haar (veel) te laat voor haar doen op van het kinderfeestje waar ze de hele week al vreselijk naar toe geleefd heeft. Ze heeft het super naar haar zin gehad en haar wangen bevestigen dat. Haar ogen spreken echter boekdelen en op weg naar huis zegt ze zelf, ‘mama mijn stoplicht is zo rood, maar niet zwart. Ik heb heel erg mijn best gedaan.’ Thuis lekker onder de douche en in pyama op de bank nog even vertellen wat ze allemaal gedaan heeft. Even later breng ik haar naar bed. Geen enkel weerwoord, geen boze ogen, geen grote mond! Ik prijs haar de hemel in en knuffel haar plat. Intens moe valt ze in een diepe onrustige slaap. Het komende weekend was vol, erg vol. We weten dat dat niet goed voor haar is. We passen het programma aan, zaterdag blijf ik thuis met haar. We rommelen wat in huis, gaan even bij opa en oma langs en Jade komt tot rust. Geen frustratie en geen boze buien. Zondag hebben we een (waarschijnlijk) kinderrijke verjaardag. Als ik haar zeg dat ze ook naar oma mag ipv mee te gaan reageert ze opgelucht. ‘Dan hoef ik ook niet op de grote trampoline met alle andere kinderen’.

Het kwartje is wel degelijk gevallen. Jade voelt zich erkent, erkent in haar onmacht, in haar frustratie en in haar gevecht. Dat hoeft dus niet meer…

Lieve Jade, je had gelijk….. We gaan het anders doen, op jóúw manier!

Advertenties